22/03/2011
Sam Louwyck
Zonder een aantal straffe Bruggelingen zou het buitenlandse elan van België er toch anders uitzien: Hans Memling schilderde zichzelf en zijn stad de eeuwigheid in, Jean-Luc Dehaene hees zijn Brugse zelve op een rodeostier, Peter Slabbinck gooide met Red Zebra erg hoge ogen en Hugo Claus, tsja, die had de Nobelprijs Literatuur moeten krijgen. Ook Sam Louwyck is een Bruggeling. Geboren en getogen. Wij kennen hem nu vooral van '22 mei', de nieuwe film van Koen Mortier waarin Sam op zoek gaat naar antwoorden op de grote levensvragen. Wat doe ik hier? Bijvoorbeeld. Wij weten het: vragen afvuren op een man die zijn hele leven al doet waar hij zin in heeft en van 'vrij zijn' een levenskunst gemaakt heeft.
Tekst: Sven De Potter
Sam Louwyck: 'Een rasechte Bruggeling, dat ben ik. Geboren in het oude Sint-Jan ziekenhuis. Ik heb er mijn hele leven gewoond en ben er naar school geweest: eerst het Sint-Lodewijkscollege en daarna Sint-Leo. Al van jongs af deed ik fanatiek aan sport: ik was roeier. Geen slechte zelfs: op mijn zestiende had ik het vooruitzicht op de Olympische Spelen, maar ik had geen zin om daar nog twee jaar op te wachten. Ik heb het roeien gelaten voor wat het was en heb me ingeschreven aan de dansschool van Olivia Geerolf. Ik bewoog graag, en dat leek me toen de meest voor de hand liggende keuze.'
Mij lijkt die keuze toch niet zo vanzelfsprekend: het kan niet anders of je werd op die totale ommezwaai aangesproken. Jongens van zestien die een klassieke dansopleiding volgden, liepen toch niet dik gezaaid...
'Ik heb me moeten aanpassen, hoor. Ik kwam plots terecht in een meisjeswereld, vol roze tutu’s en dotjes-in-het-haar. Op school kreeg ik opmerkingen want dansen, dat was niet voor echte mannen. Maar ik heb me daar eerlijk gezegd niet teveel van aangetrokken. Integendeel, ik wou bewijzen dat dansen een sport was als een ander. Ik had discipline, dat wel. Overgehouden aan mijn roei-jaren. Omdat ik met dat dansen iets wou bereiken, heb ik harde en lange uren gewerkt. Ik moest wel, want ik ben er in vergelijking met andere dansers laat mee begonnen. Toen ik later in Brussel ging studeren, liet dat dansen me niet los. Ik freelancete een beetje en kreeg al eens een dansopdracht. Voor de Muntschouwburg, bijvoorbeeld. Aangezien de passie voor het dansen steeds groter werd, nam ik steeds meer opdrachten aan en werd dansen mijn beroep. Ik ben dan met de Mark Morris Dance Group in New York beland, aan The Brooklyn Academy of Music. In die periode heb ik ook auditie gedaan bij Alain Platel en ben ik bij Les Ballets C de la B terechtgekomen... Ik heb er dus al een vrij vol parcours opzitten.'
Als danser, maar de meeste mensen kennen je ondertussen beter als acteur.
'Dat komt eigenlijk door Tom Barman (frontman van dEUS, nvdr). Hij had me gevraagd voor de videoclip van 'Theme from Turnpike' nadat hij me gezien had in een voorstelling met Les Ballets. Na 'Theme for Turnpike' heb ik voor dEUS nog aan een paar andere videoclips meegewerkt. De bal is toen echt aan het rollen gegaan. En daarna kwam 'Any Way the Wind Blows'...'
En 'de windman' (Sams personage in 'Any Way the Wind Blows', nvdr) was geboren... Je bent ondertussen 44 en danst nog altijd. Ik kan me inbeelden dat je lichaam ondertussen niet altijd meer doet wat je wilt?
'Dat valt wel mee, hoor. Ik heb natuurlijk wel wat kwetsuren gehad, zware ook, maar daar leer je mee leven. Soms worden het beperkingen, maar het is de kunst om die niet als dusdanig te zien. Het blijft je lijf. Trouwens, je kan als danser niet zomaar stoppen. Ik toch niet, want door de jaren heen is mijn lichaam verslaafd geraakt aan bewegen. Als ik te lang niet beweeg, protesteert mijn lichaam. Drie jaar geleden heb ik wel eens aan stoppen gedacht, maar dan komt er iemand met een leuk project en laat ik me toch weer overhalen om mee te doen. En het voelt nog altijd erg aangenaam. Ik weet niet hoe lang ik het nog kan doen, want het is en blijft fysiek erg uitdagend. Ik ken ook niet veel dansers die doorgaan tot hun zestigste. Ik heb er al een heel pak overleefd. Maar zolang ze me blijven vragen, doe ik verder.'
Onlangs was er nogal wat commotie rond Het Koninklijk Ballet van Vlaanderen: ze zouden na jaren weer moeten gaan samenwerken met de Vlaamse Opera en budgetten moeten delen. Wat is jouw kijk op heel die subsidieaffaire?
'Ik denk dat men hier het succes van Het Ballet van Vlaanderen zwaar onderschat. België staat op het gebied van dans internationaal hoog aangeschreven. Er is een gebrek aan visie. De politiek moet dat dansen zien als een ambassadeurschap, en de klok – en daarmee alles wat met veel moeite en tijd is opgebouwd – geen jaren terugdraaien. We moeten er alles aan doen om het imago van België als rijk cultureel land te promoten. Enfin, dat vind ik toch.'
We gaan even terug naar Brugge. Stel dat iemand die Brugge nog nooit bezocht heeft vraagt naar een rondleiding. Waar neem je die persoon mee naartoe?
'Ik doe dat erg graag, mensen rondleiden. Mijn rondleiding hangt af van het seizoen en het weer. Ik heb zo een aantal plekken die ik in mijn hart gesloten heb en die ik graag deel met anderen. De oude binnenkoer van het oude Sint-Jan aan het Memlingmuseum behoort tot mijn favoriete plaatsen. De dakpannen die je van daaruit ziet, hebben een mooie, diep oranje kleur. Daarachter staan de torens van de Onze-Lieve-Vrouwkerk en als je daar op een winterse dag staat, werpen de scherpe lijnen van dat gebouw mooie schaduwen. Als je er in de zomer heen gaat, in de late namiddag, krijg je de prachtigste kleurschakeringen. In dezelfde buurt ligt er ook een klein brugje. Als je daar gaat staan en naar één kant kijkt, lijkt het alsof je naar het verleden kijkt. Dat is echt fantastisch, maar je moet het wel ’s ochtends vroeg doen of ’s avonds laat, want er lopen overdag te veel toeristen. Vlakbij de Vismarkt is er ook zo’n plek. Als het mist, dan krijgt die een magische dimensie. In Brugge kan je nog wegdrijven op de geschiedenis.'
Brugge die Scone bestaat echt. Veel toeristen ontdekken de plekken die je noemt niet...
'Dat is waar. Toeristen hebben daar vaak ook geen tijd voor: meestal zijn ze op rondreis. Ze komen twee dagen naar Brugge, lopen langs alle bezienswaardigheden, nemen foto’s, gaan ergens iets eten en zijn weer weg. Maar ze missen het echte Brugge. Ik weet bijvoorbeeld een fantastisch mooi huis staan met een magnifiek gesculptuurde houten gevel waar haast niemand het bestaan van afweet. Het ligt in de buurt van de Madeleinekerk en L’Estaminet, maar iedereen loopt eraan voorbij.'
Brugge heet een toeristische stad te zijn. Het Venetië van het noorden, om eens een uitgeleefd cliché te gebruiken. Maar wat bij toeristen gepromoot wordt, is het aantrekkelijke Brugge met de reien, de restaurantjes, de gezelligheid. In hoeverre wijkt dat beeld van het Brugge dat jij kent?
'Nogal wat. Ik hou van de kleine bruine kroegen in de buurt van de Katelijnestraat. Daar vind ik het echte Brugge, echte mensen. Ik vind Brugge mooi worden als het toeristische seizoen op zijn einde loopt en de mensen die leven van het toerisme aan hun vakantie beginnen. Dan wordt Brugge terug van hen en begint de stad weer te leven. De sfeer verandert dan merkbaar.'
Ken je die anekdote – of is het een stadslegende – van die twee Amerikaanse toeristen die in Brugge rondliepen en rond zes uur ’s avonds aan een voorbijganger vroegen wanneer het museum sloot? Ze dachten dat de binnenstad fake was... gebouwd als een soort van Bokrijk.
'Heb ik zelf meegemaakt! Een paar jaar geleden stapte ik de deur uit en ik keek recht in de ogen van een paar Amerikanen. Zij keken ongegeneerd binnen, omdat ze ervan overtuigd waren dat iedereen in Brugge een figurant was in een heel groot toneelstuk. Maf, hé! Erg confronterend ook, omdat wij helemaal niet zo denken.'
Brugge is ook de plek waar de vtm-reeks Aspe opgenomen wordt. Vreemd toch ook dat die serie bevolkt wordt door acteurs van wie geen één een Brugs accent heeft. Ze hadden beter jou gevraagd voor de rol van inspecteur Van In. Het zou qua geloofwaardigheid veel doen.
'Haha, ... het is waar. Ik heb het er eens over gehad met Pieter Aspe. Hij heeft me toen beloofd dat hij ooit een rolletje zou schrijven. Maar het is er nog niet van gekomen. Je hebt wel gelijk: ik vind dat ook jammer. Misschien heeft het te maken met een tekort aan acteurs die zich accenten eigen willen maken? Er lopen nochtans genoeg goeie acteurs rond die dat wel zouden kunnen. Je ziet dat ook in talloze andere Vlaamse fictiereeksen: je hoort altijd weer die Antwerps/Brabantse tongval. Alsof iedereen Antwerps spreekt. Ik zie wel een verschuiving, hoor, vooral bij West-Vlaamse acteurs die niet meer verstoppen dat ze van West-Vlaanderen afkomstig zijn. Kijk naar mezelf: voor de film 'Rundskop' heb ik een rol als leverancier aan de hormonenmaffia. Ik spreek dus gewoon Brugs, omdat die rol daar ook om vraagt.'
Wat ons naadloos overbrengt naar '22 mei'. Is dit het ticket to fame? Ik weet dat je projecten lopen hebt in het buitenland. Denk je dat je met '22 mei' een sprong in het duister kan wagen en je geluk kan gaan beproeven in pakweg de Verenigde Staten, Johan Leysen ('The American' met George Clooney, nvdr) achterna?
'Zo’n vaart zal het niet lopen, denk ik. Ik heb al vaak in het buitenland gewerkt hoor, maar nog niet in de VS. Ik merk de laatste jaren wel dat er een grote vraag is naar Belgische acteurs. We zijn nogal gegeerd in het buitenland. Kijk naar Dirk Roofthooft, Filip Peeters... Belgische acteurs hebben een speciale speelstijl. Ik noem dat graag de ‘klei-speelstijl’, omdat we vaak spelen vanuit de buik, vanuit de grond. En daar moeten we trots op zijn.'
categoriën: interviews muziek nieuws