05/07/2010
Michael Borremans
We kregen in de loop der jaren al veel schoon volk voor onze microfoon; legendarische punkrockers op brugpensioen, een notoir excentriek filmregisseur, een ex-boysbandlid met tonnen ambitie. Toch zijn we niet een klein beetje nerveus als we in St. Amandsberg aanbellen bij Michaël Borremans. De man is niet alleen één van onze favoriete beeldende kunstenaars, maar ook een internationaal gerespecteerd en succesvol schilder. Hij ontvangt ons in zijn woning slash werkplaats, een prachtig gerenoveerde schrijnwerkerij. Centraal in de leefruimte staat een drumstel, we tellen een viertal gitaren en één zwarte vleugelpiano. Hier wordt niet enkel met penselen en verf gecreëerd. Er komt een fles whiskey en een asbak op tafel, ook al ligt een boek van anti-rokersgoeroe Allen Carr binnen handbereik. ‘Ah ja, het ene moment stop ik, het andere moment niet.’
(Interview: Jonas Boel, verschenen in CityZine Gent 2010 - 2011)
Hoe heb je dit prachtige pand gevonden?
Borremans: In 1994 heb ik het gebouwd samen met mijn toenmalige vriendin gekocht. Het was een ruïne, we hebben van onder tot boven verbouwt. Ik hou niet van het gevoel dat ik naar buiten moet gaan om ruimte te voelen, daarom is dit een goed pand voor mij. Maar ik moet ook op elk moment kunnen werken, daarom is het essentieel dat mijn atelier en woonplaats één zijn.
Je weet nooit wanneer de inspiratie toeslaat.
Borremans: Precies. Als ik werk ben ik nogal chaotisch, ik moet alles binnen handbereik hebben. Veel ruimte heb niet perse nodig voor mijn schilderijen, ik werk vooral op klein formaat. In principe kan ik mijn werk maken in de keuken van een beluikhuisje. Kunst ontstaat uit noodzaak, de kunstenaar zijn atelier zit hier (tikt tegen het hoofd). Geen atelier hebben is een slecht excuus om niet te werken, zelfs als ik dakloos was zou ik blijven werken. Elke beperking kan een zegen zijn.
Je bent oorspronkelijk afkomstig van Dendermonde, hoe ben je in Gent verzeilt geraakt?
Borremans: Ik heb hier op school gezeten; Vrije Grafiek aan Sint Lucas. Daarna woonde ik samen met mijn lief in Brussel. Ik gaf avondles in Gent en zij werkte overdag, we zagen elkaar bijna nooit en hadden twee wagens nodig. Geen evidentie voor een jong koppel, dus zijn we van pure miserie terug naar Gent verhuist. (snel) Oei, dat had ik beter niet gezegd, zeker? (lacht).
Je bent hier gebleven, ik veronderstel toch niet tegen je zin.
Borremans: Helemaal niet! Ik had het toen gewoon erg naar mijn zin in de kosmopolitische stad Brussel.
Eigenlijk maakt het me weinig uit waar ik precies woon, maar hier in St. Amandsberg voel ik me zeer op mijn gemak als kunstenaar. Voor mijn tentoonstellingen moet ik regelmatig in New York of Tokyo zijn, waar je dan in limousines wordt rondgereden en op exclusieve parties uitgenodigd wordt. Wanneer ik van zo’n trip terug thuis kom en met mijn fiets over de Gentse kasseien bol ben ik zeer content (lacht).
Ooit overwogen om in het buitenland te gaan wonen?
Borremans: Mijn dochter gaat hier naar school, ik ben nog wel even aan Gent gebonden. Binnenkort heb ik een buitenverblijf in Wallonië, in the middle of nowhere – ik kijk er naar uit om me daar af en toe terug te trekken.
Wallonië is ook een beetje buitenland.
Borremans: Eerlijk gezegd hou ik van het klimaat en het licht in België. Ik heb graag dat het slecht weer is. Ik heb zelf even gedacht om mijn bedrijfje Bad Weather Productions te noemen.
Wat is het dan wel geworden?
Borremans: ‘Michaël Borremans’ (lacht).
Er loopt momenteel een Borremans-tentoonstelling in Denver met de mooie titel ‘Looking at the face I had before the world was made’ – het lijkt je op het lijf geschreven.
Borremans: Nochtans heb ik het niet zelf bedacht, de tentoonstelling past in een serie van zes verschillende exposities rond hetzelfde thema. Maar ik ga akkoord, het is een zeer mooie titel.
De zin is afkomstig uit een gedicht van John Keats.
Borremans: Een goede truc. In mijn vrije tijd schrijf ik liedjes en tegenwoordig durf ik voor de teksten wel eens fragmenten uit de literatuur pikken. Genoeg inspiratie.
Hoe belangrijk zijn de titels van je schilderijen?
Borremans: Zéér belangrijk, de zijn een essentieel onderdeel van het werk. Tegenwoordig kijken we naar kunst met de titel erbij, het is een conceptueel gegeven. Een titel kan je leiden of misleiden, het stemt tot nadenken. Neem nu mijn schilderij van een man in een dwangbuis dat Advantage heet – de titel is een extra element dat je mee geeft. Het leidt soms tot verwarring, net als het werk zelf. De bedoeling is dat je je standpunt als toeschouwer in vraag stelt.
Je speelt gitaar en schrijft liedjes. Ken je één muzikant die een goede schilder is of vice versa?
Borremans: Bent Van Looy van Das Pop vind ik een zeer verdienstelijk schilder, al weet ik niet of hij nog veel met penselen in de weer is. Don Vliet alias Captain Beefheart was al een goed schilder voor hij bekend werd als muzikant. Waarom vraag je dat?
Omdat goede muzikanten zelden goede schilders maken en omgekeerd.
Borremans: Ik ben een technisch beperkt gitarist en een slecht muzikant. Het is een hobby, een uitlaatklep. Met mijn groepje The Singing Painters komen we geregeld samen om te improviseren, dat gaat van heel ingetogen tot pure, freewheelende rock’n’roll. De liedjes die ik schrijf maak ik voor mezelf, ik heb absoluut geen behoefte om er mee naar buiten te komen. Je moet kiezen, vind ik. In mijn schilderwerk zit ook veel rock’n’roll.
Speelt er muziek terwijl je aan het schilderen bent?
Borremans: Nooit. Ik hoor ze toch niet, en als ik ze hoor werkt het op mijn zenuwen (lacht). Ik werk in opperste concentratie in een soort Middeleeuwse toestand: daglicht en complete stilte.
Schilder je nog steeds net in het pak?
Borremans: Dat is een ritueel, ja. In vuile kleren kan ik geen goed werk maken - hoe netter het kostuum, hoe beter het schilderij. Dat ritueel heeft met respect te maken, respect voor hetgeen je doet. Wanneer de mensen vroeger naar de mis gingen, deden ze toch ook een kostuum aan? Wel, het schilderen is mijn mis! Er zijn een paar kostuums, ik heb er een twintigtal, waarin ik slecht werk. Daar hangen bad vibes rond. Ik moet ze dringend eens cadeau doen (lacht). Het is deels bijgeloof natuurlijk, zoals voetballers die altijd dezelfde onderbroek dragen bij een belangrijke match. Soms schilder ik op blote voeten en in de zomer schilder ik soms helemaal naakt. Dan ben ik de schilderende nudist.
Je bent gewoon een hippie, Michaël!
Borremans: Zo is het! ‘Ik ben een hippie’, maak daar maar je kop van (lacht).
Ben je in de wieg gelegd als schilder?
Borremans: Ik ben pas beginnen schilderen toen ik dertig was maar ik ben altijd al met beeld bezig geweest. Dat was een evidentie, ik heb me er nooit vragen bij gesteld. Alles begint bij de verbeelding. Ik had evengoed een schrijver kunnen zijn, ik kan ook met taal omgaan, maar heb er me nooit op toegelegd. Ik was tekenaar. Met potlood en een blad papier kan je een suggestie oproepen die niet in taal is uit te drukken. In een tekening is alles mogelijk, in een schilderij niet.
Waarom niet?
Borremans: Omdat de impact van een schilderij veel groter is. Een tekening is als literatuur, vluchtiger. Een schilderij is een aanwezigheid. Schilderkunst bestaat al zo lang als de mensheid zelf. Er zijn zoveel schilderijen die wel in ons collectief geheugen mee dragen, als podium is het heilig. Als je iets verkeerd doet in een schilderij is het zéér verkeerd!
Kijk naar Breughel. Zijn schilderijen tonen meer dan een tafereel, er zit soms een gans wereldbeeld in vervat. Een hele werkelijkheid. Met een dikke kader er rond, heel gecondenseerd. Bijzonder boeiend vind ik dat.
Krijg je liever complimenten over het inhoudelijk of het esthetische aspect van je werk?
Borremans: Voor mij primeert het inhoudelijke. Esthetiek is een tool, een glijmiddel. Al ben ik natuurlijk wel blij dat het er is. Complimenten gaan over mij heen, ik ben altijd bezig met het volgende werk, het volgende probleem. Maar als ik een schilderij maak dat goed is drink ik champagne, nodig ik vrienden uit en trakteer ik op restaurant!
Wanneer is een schilderij goed?
Borremans: Als ik zelf verwonderd ben over wat ik gemaakt heb. Dan is het feest. Dán zou ik willen dat de journalisten mijn deur plat lopen, in plaats van als er weer eens een werk voor veel geld verkocht is op een veiling.
categoriën: interviews